Historische boerderijen - Historische boerderijen in Nederland

In het verleden zijn in ons land verschillende typen boerderijen ontstaan. Historische boerderijen zijn 50 jaar of ouder. De historische boerderijen in Nederland zijn te onderscheiden in families :

  • de noordelijke huisgroep
  • de hallehuisgroep
  • de langgevelboerderij
  • de Zuidwest-Nederlandse groep
  • de Zuid-Limburgse hoeve

Deze variëren van het eenvoudige hallehuisboerderijtje op de Veluwe tot de Oldambtster herenboerderij en van de Noord-Hollandse stolp tot de uitgebreide Zuid-Limburgse carréboerderij.
Bijna alle boerderijen in Nederland kennen een houtconstructie (gebintwerk) die het grootste deel van het dak draagt. Door de toepassing van gebinten en muren, kregen de boerderijen een indeling in drie delen ‘beuken' genoemd. Veelal zijn alle activiteiten onder één dak samengebracht: wonen, werken, veestalling en oogstopslag.
De omgeving was vroeger van grote invloed op de bouw van boerderijen. Op de vruchtbare rivier- of zeeklei ontstonden grootschalige veehouderij-of akkerbouw bedrijven. Op de minder vruchtbare zandgronden waren het kleinschalige gemengde bedrijfjes. De materialen kwamen uit de omgeving, zoals klei, natuursteen, hout en riet.
Maar de bouw van boerderijen werd niet alleen beïnvloed door de natuurlijke omstandigheden. Ook de rijkdom of armoede, de voorkeuren van boeren en de bouwtradities drukten een stempel op de bouw.
Zo geven historische boerderijen een beeld van de vroegere samenleving.

De noordelijke huisgroep

De boerderijen in de provincie Fryslân, Groningen,en Noord-Holland behoren tot de Noordelijke huisgroep. Ook in Noord-Duitsland en in Denemarken komt dit type voor. Het wordt gekenmerkt door grote schuren met grote, laag aflopende dakvlakken. Karakteristieke bouwmaterialen waren de rode of gele bakstenen, de oranje en blauwgrijze dakpannen en riet. Een ander kenmerk is de veestal waarin de koeien, tussen schotten, met de koppen naar de buitenmuur staan. Achter de dieren loopt de grup. De oogst werd opgeslagen in de brede middenbeuk van de boerderij. Het gebinttype is het zogenaamde 'dekbalkgebint', waarbij de horizontale verbindingsbalk op de koppen van de gebintstijlen is gelegd.

In Fryslân hebben zich de kop-hals-rompboerderij en de stelp ontwikkeld. Deze vormen hebben hun oorsprong in de late 16e eeuw. In de kop-hals-rompboerderij is een driedeling gemaakt : wonen in de kop, werken in de hals en opslag en veestalling in de romp.
Het Bildt in het noordwesten van Friesland is van oudsher een akkerbouwgebied.
Typerend is ook dat de grote Friese schuur haaks aan het woonhuis is gebouwd. De Bildtse boerderijen hebben daardoor een karakteristieke L-vormige plattegrond.
De Friese stelpboerderij is als het ware een kop-hals-rompboerderij zonder kop en hals.
Dit boerderijtype is jonger dan de kop-hals-rompboerderij. Een andere variant is de kop-rompboerderij.

Van links naar rechts : kop-hals- romp, hoekpleats en stelp.

Andere historische boerderij-typen in Fryslân; van links naar rechts :
kop-rompboerderderij en een hallehuis (Zuidoost-Fryslân)

De Friese boerderij, ook al wordt die doorgaans ingedeeld in drie hoofdtypen, komt in allerlei varianten voor. Het bedrijfsgedeelte (schuur en stal) is in de meeste gevallen in hoofdvorm en indeling hetzelfde, maar de woonhuizen wijken af. De schuur wordt gedragen door een vrijstaande houtconstructie die bestaat uit een aantal portalen, gevormd door dekbalkgebinten. Elk gebint is opgebouwd uit twee stijlen met daar bovenop een horizontale draagbalk. Deze dekbalkgebinten worden onderling gekoppeld en in de hoeken van de schuur voorzien van diagonale schoren. Hierdoor ontstaat een stabiele constructie.
Met de toepassing van dekbalkgebinten wijken de Friese schuren af van de schuren in het overgrote deel van Nederland waar ankerbalkgebinten worden gebruikt. Ook bijzonder zijn de grote afmetingen van de (dekbalk)gebinten. De constructie deelt de schuur in de lengterichting op in drie beuken, twee zijbeuken en een middenbeuk. Het aantal (gebint)vakken bepaalt de lengte van de schuur.

Het dekbalkgebint op de linker tekening is kenmerkend voor
de Friese boerderijen, behorend tot de Noordelijke huisgroep.
Het ankerbalkgebint op de rechter tekening komt voor in het hallehuis

Kenmerkend is het gebruik van de middenbeuk als hooiopslag, ofwel de tasruimte. Door de hoogte van de middenbeuk kan hier erg veel hooi opgetast worden. In de ene zijbeuk bevindt zich de koestal. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Friese grupstal, die opmerkelijk verschilt van de rest van Nederland, waar tot rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw de potstal in gebruik is. Bij een Friese grupstal staat het vee twee aan twee tussen houten schotten met de kop naar de muur, waarachter een mestgoot loopt en men de mest regelmatig kan verwijderen. In eerste instantie vond het voeren langs het vee plaats, later via voerluiken in de zolder boven het vee. De andere zijbeuk wordt gebruikt als deel, ofwel werk- en inrij ruimte. Het achterste vak is bij akkerbouwbedrijven in gebruik als dorsvloer, bij weidebedrijven als jongveestal. De stalruimte is afgeschermd van de tasruimte door een muur. Ook is de stal meestal voorzien van een zolder. Deze zolder zorgt tevens voor het vasthouden van de warmte van de dieren.
Het woonhuis komt in vele vormen voor. Bij de kop-romp- en kop-hals-rompboerderijen steken de woonvertrekken buiten de schuur uit. Deze woonhuizen zijn oorspronkelijk niet recht voor de schuur gebouwd, maar aan de zijde van de koestal. Waarschijnlijk is dit uit praktische overwegingen gedaan, immers aan deze zijde bevinden zich ook de ruimten voor het bereiden van de zuivel.
Het woonhuis van deze boerderijen kan in afmetingen erg verschillen. Het voorhuis kan bestaan uit één of twee kamers, waarin zich een bedsteden- en kastenwand bevindt, en een halletje of gang, die toegang tot de keuken en de werkruimten geeft. Waar nodig wordt de zolder gebruikt voor graanopslag. Onder de bedsteden bevindt zich soms een aardappelkelder en tussen de bedsteden een servieskast. De grootte en de aard van de boerderij bepaalt vaak de omvang van de melkkelder. Bij een grote kelder bevindt zich een opkamer boven deze kelder. De karnruimte bevindt zich in de hals of onder het grote schuurdak tegen de woonvertrekken.
Bij een stelp is het woongedeelte in de schuur afgescheiden van de werk- en stalruimte, en vindt wonen en werken dus onder een dak plaats. Dit type is aanvankelijk ontstaan in de minder welvarende delen van Fryslân. De stelp is vaak eenvoudiger van opzet en daardoor goedkoper in bouw en onderhoud. Bij de stelp bevinden zich de voornaamste woonvertrekken en de melkkelder direct achter de voorgevel. Boven de melkkelder bevindt zich de opkamer. De schuur is in opzet hetzelfde als bij de kop-romp- en de kop-hals-romp-boerderijen. Afwijkend is dat de koestal meestal niet de gehele zijbeuk in beslag neemt, omdat in het voorste gedeelte woonvertrekken aanwezig zijn.

Op de Groninger klei zijn meerdere kapschuren naast elkaar gebouwd. Door het recht van opstrek kon nieuw gewonnen land bij het aanliggende bedrijf worden gevoegd zodat deze steeds groter werd en nieuwe graanschuren werden bijgebouwd. Eveneens ten gevolge van de gestegen welvaart halverwege de negentiende eeuw ontstond het verlangen naar grotere en luxe woonhuizen. Het resultaat van deze ontwikkeling zijn de dwarshuis- en villaboerderijen.
Boerderijen van het Oldambster type zijn begin 18e eeuw vanuit Ost-Friesland ingevoerd. Bij dit type liggen het woonhuis en de schuur in elkaars verlengde. Het woonhuis is meestal smaller dan de schuur. De karakteristieke verspringingen in breedte worden krimpen genoemd.

In Noord-Holland is de stolp ontwikkeld. Het hart van de stolp is het vierkant dat wordt gevormd door met elkaar verbonden dekbalkgebinten. In het vierkant bevindt zich de centrale hooitas. Daar omheen, in de zijbeuken, liggen de stalruimtes, de deel en de woon-en werkvertrekken.
De hooihuisboerderij zoals die in Waterland voorkomt, herinnert aan het woonstalhuis dat vóór de zeventiende eeuw in Noord-Holland het gangbare boerderijtype was.Kenmerkend is de dubbelrijige Friese stal die in het verlengde van het woonhuis ligt.Vanaf de zeventiende eeuw werd tegen het stalgebouw een betimmerde,vaste hooiberg gebouwd. Vandaar de naam 'hooihuisboerderij'.
De Wieringse boerderij is ontstaan uit een traditioneel Noord-Hollands woonstalhuis. Dwars op het stalgedeelte werd een tweebeukige dwarsdeelschuur aangebouwd, waardoor er een haakse vorm ontstond. De achtergevel van de boerderij wordt gevormd door een hoge, zwart geteerde houten wand.

De hallehuisgroep

Van alle boerderijtypen in ons land heeft het hallehuis het grootste verspreidingsgebied. Het hallehuis is ontstaan in de middeleeuwen en wordt gekenmerkt door een zware gebintconstructie. Het houtskelet bestaat uit een aantal ankerbalk gebinten. (zie bovenstaande tekening). De extra grote zolderruimte biedt meer ruimte biedt voor oogstopslag. De muren van het hallehuis staan om de houtconstructie heen, waardoor het een driebeukige indeling heeft. Het woongedeelte, de veestalling, de opslagplaats voor de oogst en de werkruimte zijn bij dit boerderijtype vaak onder één dak ondergebracht. Brede inrijdeuren in de achtergevel gaven toegang tot de deel. De stallen voor het vee lagen in de smalle zijbeuken.
Hallehuis boerderijen hadden meestal een potstal. De koeien stonden op hun eigen mest, waarop de boer strooisel en plaggen gooide. Een paar maal per jaar maakte de boer de stal leeg. De mest werd gebruikt om het akkerbouwland vruchtbaar te maken.

In de Drentse boerderijen werd de graanoogst vroeger op de zolder boven de deel bewaard. Het hooi voor het vee werd in een smalle hooischuur opgeslagen. Die was meestal tegen de achtergevel van de boerderij aangebouwd of lag er vlak achter. Voor de wanden van de schuur werden natuurlijke bouwmaterialen gebruikt, zoals stro en hout.
In de loop van de negentiende eeuw namen in Drenthe de veestapels in omvang toe en werden de hooioogsten groter. Het hooi werd dichter bij het vee opgeslagen op het laatste stuk van de deel. De deeldeur in de achtergevel werd verplaatst naar de zijgevel.
Het ‘los hoes' is de eenvoudigste vorm van het hallehuis. Dit type heeft geen scheidingsmuur tussen het woonhuis en het bedrijfsgedeelte, waardoor mens en dier in een ruimte leefden. Het los hoes heeft een vrijliggende vuurplaats zonder rookvang. Dit traditionele boerderijtype heeft zich met name in Twente en de Achterhoek tot het begin van de twintigste eeuw kunnen handhaven.

Links : Drentse boerderij, Rechts : Twentse boerderij

Kenmerkend voor de hallehuisboerderijen in Twente zijn de zadeldaken, met de houten topgevelschotten en de in de achtergevel teruggeplaatste deeldeuren, de zogenaamde 'onderschuur'. Verder hadden veel Twentse boerderijen vroeger een endskamer, een vertrek dat tegen de korte voorgevel van de boerderij was aangebouwd. Vaak deed deze kamer dienst als woonvertrek voor de inwonende (groot)ouders.
Staphorster boerderijen hebben een extra hooitas achter de koestal. Daardoor zijn ze opvallend lang. De stal- en deeldeuren bevinden zich in een lange zijgevel en vaak hebben deze boerderijen een houten schoorsteen. Heel opvallend zijn de kleuren waarin de Staphorster boerderijen zijn geschilderd: grasgroen, lichtblauw en wit.
In de noordwesthoek van Overijssel komen veel varianten voor van het hallehuis. Typerend voor het vochtige gebied rond Giethoorn zijn de zogenoemde 'vaarboerderijen'. Ze hebben vaak 'kameeldaken'. Die zijn ontstaan toen de oogsten groeiden en de boeren hun bedrijfsgedeelte moesten verhogen en verbreden.
De boerderijen in het oostelijk deel van de Achterhoek vertonen veel overeenkomsten met de hallehuisboerderijen in Twente. Ze hebben vaak topgevels, onderschuren en endskamers. Elders in de Achterhoek komen ook schilddaken en wolfseinden voor en ook T- en krukhuisboerderijen zijn er geen uitzondering.
De boeren op de schrale Veluwse zandgronden zijn in het algemeen klein en eenvoudig. Net als elders in Gelderland hadden ze veel bijgebouwen, zoals kapbergen, schuurtjes en een vaak kleine schaapskooi.
T- en krukhuisboerderijen komen op meerdere plaatsen voor als variant van het hallehuis. De meeste komen voor in het rivierkleigebied. Bij de krukhuisboerderij is het woonhuis naar één kant uitgebouwd en bij de T-huisboerderij naar twee kanten.

De boerderijen op de Utrechtse zandgronden zijn hallehuizen van het meest oorspronkelijke type. Ze hebben zogenaamde wolfseinden en lage zijgevels. De gevels waren vaak van hout opgetrokken. De Utrechtse hallehuisboerderijen hadden veel bijgebouwen. In Utrecht komen ook hallehuisboerderijen voor met een uitgebouwd voorhuis. Later werden boerderijen ook met een dwars geplaatst woonhuis gebouwd.
In de veenweidegebieden van Utrecht lag het accent vanouds op de veehouderij. Vanaf de negentiende eeuw zijn veel van deze boerderijen verlengd. Daarbij werd meestal ook de woning met een travee uitgebreid. De boerderij kreeg dan, onder een opwelvend dak of topgeveltje,een venster en een deur in de zijgevel.

Links : Utrechts hallehuis, Rechts : Alblasserwaard / kameeldak

Ook in Zuid-Holland - in Rijnland, Delfland en Schieland - zijn de boerderijen gericht op de veehouderij. Uit het hallehuis is hier een lang en smal boerderijtype ontstaan, met hoge zijgevels. Omdat in deze gebieden de boterproductie overheerste, was er behoefte aan een grote melkkelder. Daarvoor werd de bestaande kelder in een van de zijbeuken uitgebouwd. Daarbij moest ook de opkamer boven de kelder worden vergroot.
In de negentiende eeuw overstroomde het Zuidhollandse rivierengebied herhaaldelijk. Om zich tegen dit gevaar te wapenen werd er een waterzolder in de boerderij gemaakt, waarop hooi en vee droog bleven. Het bedrijfsgedeelte kreeg daardoor een hoger dak. In de Alblasserwaard werd het niveauverschil tussen de daken van het woonhuis en het bedrijfsgedeelte vaak vloeiend overbrugd, waardoor er een opwelvend dak ontstond. Dat wordt 'kameeldak' genoemd.

Links : T- en krukhuisboerderij, Rechts : Rijnlandse boerderij

Op de Zuidhollandse eilanden overheerste het akkerbouwbedrijf. De boerderijen bestonden er uit grote schuurgebouwen, waaraan het huis was vast gebouwd. De oudste schuren hadden de inrijpoorten in een lange gevel. Later ook in de korte voor- en achtergevel.
In heel Noord-Brabant was het hallehuis het gangbare boerderijtype. Daarna zijn tal van plaatselijke varianten ontstaan. In het noorden van de provincie overheerste, net als in Gelderland, het type met de zijpotstal. Op de schrale zandgronden, waar de mestbehoefte groot was, was het type met de middenpotstal gangbaar. En grotere boerderijen kregen vaak een aparte schuur voor de oogstopslag. Vanaf de zeventiende eeuw was de Vlaamse schuur populair, het eerst in de Baronie, later ook elders in de provincie. Dit is een driebeukig schuurtype, met een langsdeel in één van de zijbeuken.

De langgevelboerderij

Vanaf de zeventiende eeuw ontstond in Noord-Brabant de behoefte om het woongedeelte, de veestalling, de oogstberging en de dorsvloer onder één dak te brengen. Uit het hallehuis ontstond de langgevelboerderij. Bij de klassieke langgevelboerderij zijn alle functies onder één dak verenigd, altijd in de volgorde woonhuis, stal, schuur met deel. De deuren van de woning, de stal en van de deel liggen alle in de lange zijgevel. Dit boerderijtype heeft een langgerekte, smalle plattegrond. In de 18e eeuw is in Noord-Limburg de langgevel geïntroduceerd.
De hofboerderij is net als de langgevel een later ontwikkelingsvorm van het hallehuis. Je vindt ze vooral op de rijkere gronden in het Maasdal. Zo'n boerderij bestaat uit een aantal gebouwen rond een binnenplaats. De hofboerderijen in het Maasdal zijn minder gesloten dan die in het zuiden van Limburg. De afzonderlijke gebouwen van de meeste hofboerderijen zijn voor wat betreft hun constructie identiek aan de langgevelboerderijen.

De Zuidwest-Nederlandse groep

De oudste boerderijen die in Zeeland bewaard zijn gebleven, zijn gebouwd vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw. Opvallend zijn het één- of tweebeukige bakstenen woonhuis en de bredere, driebeukige, houten schuur als duidelijk te onderscheiden gebouwen. Het woonhuis heeft een symmetrisch ingedeelde voorgevel met een centrale gang en aan weerszijden twee vertrekken.
In Zeeuws-Vlaanderen werd de schuur vrijstaand van het woonhuis gebouwd. De Zeeuwse schuur bood opslagruimte voor de oogst en stallingsruimte voor koeien en paarden. De Zeeuwse schuur heeft een dwarse deel of dorsvloer en de mendeuren bevinden zich in de lange zijgevel. De kozijnen zijn wit.

De Zuid-Limburgse hoeve

Het verspreidingsgebied van de carrevormige boerderij komt in Nederland alleen voor in Zuid-Limburg en strekt zich verder uit over België, Duitsland, Luxemburg en Frankrijk. Boerderijen van dit type zijn smal, éénbeukig en hebben hoge zijgevels. Daardoor hebben ze niet de laag aflopende daken zoals bij de andere Nederlandse boerderijtypen.
De wanden bestaan in de regel uit vakwerk of natuursteen. Boerderijen van deze huisgroep bestonden oorspronkelijk uit een samenstel van losse gebouwen. Later zijn ze vaak in een carrévorm om een binnenplaats gebouwd. Daar bevond zich de mestvaalt. Alle belangrijke toegangen zijn naar de binnenplaats gericht. De enige toegang naar buiten is de grote poort.
De carréboerderijen maken hierdoor een gesloten indruk. Vroeger werd verondersteld dat de carréboerderij van Romeinse oorsprong was, maar dat is niet juist.

Literatuur / bronnen :

  • Het Boerderijenboek; Piet van Cruyningen, Jeroen Goudeau, Feyoena Grovestins, André Viersen, John van Zuijlen; Zwolle, 2003
  • Historische boerderijen in Nederland; Landleven, Doetinchem.
  • Shell Boerderijengids; Evert Zandstra; Amsterdam, 1964.

 

 

Augustus 2006