Historische boerderijen - Het karakter van de Friese boerderij ( detail: het dekbalkgebint )

Als we het hier hebben over het karakter van de Friese boerderij gaat het over de uiterlijke verschijningsvorm en hoofdkenmerken in de boerderij.

Buiten

De verschijningsvorm van een gebouw is het beste te beschrijven door het beeld in stukjes te hakken, in de zgn. beeldaspecten.
In de analyse van het beeld wordt van groot naar klein gewerkt. Te beginnen bij de ruimtelijke typologie oftewel de plaatsing in het grotere geheel (het landschap) , dan de plaatsing in de context van de directe omgeving, de hoofdvorm, de gevelaanzichten, de materialen, de kleuren en tenslotte de detaillering oftewel de vormgeving van de vlakovergangen en de ornamentiek.

•  Ruimtelijke kenmerken :
In het open Friese landschap zijn de solitaire boerderijen met hun steile hoge kappen,die bijna uit het maaiveld oprijzen, kenmerkende eigenschappen. Met hun karakteristieke contouren maken zij van een grote afstand zichtbaar wat je niet ziet, namelijk de infrastructuur van het Friese cultuurlandschap: zij markeren de dijken, wegen en vaarten. De landschappelijke waarde van de Friese boerderij is door deze combinatie van vlak, open land aan de ene kant en de rijzige vorm aan de andere kant groter dan waar ook in ons land. Het behoud van de trotse contouren van de Friese boerderijen is wezenlijk voor de beleving van het landschap en daarom de moeite van het behouden waard.

•  Plaats op het erf :
Doorgaans staan de boerderijen evenwijdig aan de kavelrichting en met de kop naar de weg. In akkerbouwgebieden komt plaatsing evenwijdig aan de weg ook veel voor. Boerenbedrijven zijn herkenbaar aan de bijgebouwen of liever bijgebouwde bedrijfsgebouwen. Een wezenlijk punt bij het behoud van de visuele kwaliteit van de historische pleats is een goede hiërarchie in de plaatsing van de nieuwe bedrijfsbebouwing ten opzichte van de historische boerderij. Nieuwe bijgebouwen zoals stallen, werktuigenloodsen, mestsilo's etc. staan als het goed is op het tweede plan.

•  Hoofdvorm :
De schuur is het beeldbepalende element van de Friese boerderij. De kenmerken zijn de steile dakhelling, hoge nok en lage goot. De voor- en achterzijde worden eveneens afgesloten door steile dakschilden. De ûlebuorden geven een knikje in het zijsilhouet. De grondvorm van de schuur is een enkelvoudige rechthoek. De variatie in de Friese typen zit hem in de plaatsing van het woongedeelte ten opzichte van de schuur. Het woonhuis (binhûs) steekt aan de voorzijde uit de schuur ( zoals bij de kopromp). Als het voorste deel van de woning is verhoogd en/of verbreed ontstaat de kop-hals-romp. Een variant ontstaat als het woonhuis, doorgaans ook met kop en hals, dwars is geplaatst. Dit is de winkelhaak die vooral in Het Bildt voorkomt. Bij de stelp is de woning in de schuurvorm ondergebracht. Bij de kop-hals-rompboerderij heeft het woongedeelte juist vrij hoge zijmuren, zeker bij het onderkelderde type. De hals is vaak smaller en lager in de nok. Bij de winkelhaak is het woonhuis doorgaans niet onderkelderd. In de meest enkelvoudige vorm van de stelp is alleen de voorgevel hoger, zodat de gootovergang meteen op de hoek zit. Vaak is het woongedeelte wat smaller zodat de zijmuren eveneens hoger zijn. De boerderij met dwarshuis met schilddak en het diepere zogenaamde blokje met ringkap. Toevoegingen aan de kapvorm in de vorm van dakkapellen beperken zich tot het woongedeelte.

•  Aanzichten :
In het woonhuisgedeelte zijn de samenstellende gevelopeningen meestal verticaal. Bij de stelp is de grote breedte van de voorgevel compositorisch lastig. Vooral door de kelder onder de opkamer is een symmetrische opzet niet mogelijk. Met een samenbindende centrale dakkapel wordt dit vaak opgelost. In de schuur valt de geslotenheid van de hoge kap op. Ook de zijmuren met hun kleine ramen ogen vrij gesloten. De achtergevel van de akkerbouwboerderij is vaak wat hoger en kent grotere gevelopeningen. De veeboerderij heeft aan de achterzijde vaak de kalverenstal, dus ook vrij gesloten op de hoge schuurdeuren na.

•  Materialen, kleuren en detaillering / ornamentiek :
Natuurlijke materialen als baksteen, hout, keramische pannen en riet zijn kenmerkend. De materialen kwamen uit de directe omgeving of in elk geval uit de regio.

•  Kleuren :
Gedekte kleuren zijn kenmerkend voor de natuurlijk materialen. De gevels zijn doorgaans in rode baksteen, soms geel, De dakpannen gesmoord of geglazuurd op het woongedeelte, dat wil zeggen antraciet tot zwart (ook wel ‘blauw' genoemd). Op de schuur vaak terracotta of riet. Kleinere onderdelen, zoals de binnenzijde van de schuurdeuren, kunnen accentkleuren hebben.

•  Details en ornamentiek :
Bij het ambachtelijke bouwen wordt aan de overgangen van de vlakken veel aandacht besteed. Versieringen horen daar vaak bij. Te noemen zijn de typisch Friese ûlebuorden, , versierende dakkapellen, metselwerkversieringen, bekroningen van de gevels met geprofileerde lijsten etc.

Tim Brill van de welstandscommissie Hûs en Hiem geeft enkele aanbevelingen bij aanpassingen :

  • Plaats nieuwe (bij)gebouwen duidelijk op het tweede plan
  • Zorg voor een goede verhouding tussen wand en kap
  • Beperk de hoogte
  • Gedekte kleuren voor wanden en dak
  • Schakel een deskundige architect in voor veranderingen in, aan of bij een historische boerderij

Binnen

Ook aan de binnenkant heeft de Friese boerderij een aantal hoofdkenmerken. De schuur wordt gedragen door een vrijstaande houtconstructie die bestaat uit dekbalkgebinten. Elk gebint is opgebouwd uit twee stijlen met daar boven op een horizontale draagbalk. Deze dekbalkgebinten worden onderling gekoppeld en in de hoeken van de schuur voorzien van diagonale schoren.
Met de toepassing van dekbalkgebinten wijken de Friese schuren af van de schuren in het overgrote deel van Nederland waar ankerbalkgebinten worden gebruikt.

Het dekbalkgebint op de linker tekening is kenmerkend voor
de Friese boerderijen, behorend tot de Noordelijke huisgroep.
Het ankerbalkgebint op de rechter tekening komt voor in het hallehuis

Ook bijzonder zijn de grote afmetingen van de (dekbalk)gebinten.De constructie van de schuur deelt de schuur in de lengterichting op in drie beuken, twee zijbeuken en een middenbeuk. Het aantal gebintvakken bepaalt de lengte van de schuur. De middenbeuk werd gebruikt als hooiopslag ofwel de ‘golle'. Door de hoogte van de middenbeuk kan hier erg veel hooi opgetast worden. In de ene zijbeuk bevond zich de koestal. Hierbij werd gebruik gemaakt van de Friese grupstal, die opmerkelijk verschilt van de rest van Nederland, waar tot rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw de potstal in gebruik was. Bij een Friese grupstal staat het vee twee aan twee met de kop naar de muur, waar achter een mestgoot loopt en men de mest regelmatig kan verwijderen. De andere zijbeuk werd gebruikt als deel. Het achterste gebintvak is bij akkerbouwbedrijven in gebruik als dorsvloer, bij weidebedrijven als jongveestal of als paardenstal. De stalruimte is afgeschermd door een muur. Ook is de stal meestal voorzien van een zolder.

Het voorhuis kan bestaan uit één of twee kamers, waarin zich een bedsteden- en kastenwand bevindt, en een halletje of gang, die toegang tot de keuken en de werkruimten geeft. Waar nodig werd de zolder gebruikt voor graanopslag. Onder de bedsteden bevond zich soms een aardappelkelder en tussen de bedsteden een servieskast. De omvang en de aard van de boerderij bepaalde vaak de grootte van de melkkelder. Bij een grote kelder bevindt zich een opkamer boven deze kelder. De karnruimte was in de hals of onder het grote schuurdak tegen de woonvertrekken. Bij een stelp is het woongedeelte in de schuur afgescheiden van de werk- en stalruimte, en vindt wonen en werken dus onder een dak plaats.

Bij de stelp bevinden zich de voornaamste woonvertrekken en de melkkelder direct achter de voorgevel. Boven de melkkelder bevindt zich de opkamer. De schuur is in opzet hetzelfde als bij de kop-romp- en de kop-hals-rompboerderijen, behalve dat de koestal meestal niet de gehele zijbeuk in beslag neemt, omdat voor woonvertrekken aanwezig zijn.

 

Augustus 2006


Het dekbalkgebint

Het gebint vormt de constructieve basis van de boerderij. Het verschaft de boerderij stevigheid en steunt het dak. Vooral in de schuur zijn de gebintconstructies meestal goed zichtbaar. Bij een dekbalkgebint is de gebintbalk opgelegd op de stijlen en daaraan met pen en gat verbonden. Dit type gebint komt niet alleen in Friesland voor, maar ook in Zeeland, Noord-en Zuid-Holland, Groningen, Drenthe en de Kop van Overijssel.

Schematische tekening van het dekbalkgebint

 

Dekbalkgebint boerderij Wirdum