Historische boerderijen - Wonen en werken in een Friese boerderij ( detail: de grupstal )

Met name bij een kop-romp- en kop-hals-rompboerderij kan het woongedeelte in grootte en vorm variëren. Het voorhuis kan bestaan uit één of twee kamers, waarin zich een bedsteden- en kastenwand bevindt, een halletje of gang die toegang tot de keuken en werkruimten geeft. Waar nodig werd de zolder gebruikt voor graanopslag. Onder de bedsteden is soms een aardappelkelder en tussen de bedsteden een servieskast. Vaak is de opkamer (de mooie kamer) boven de melkkelder. De karnruimte bevindt zich in de hals of onder het grote schuurdak tegen de woonvertrekken.

Het bedrijfsgedeelte (schuur en stal) heeft meestal eenzelfde hoofdvorm en indeling. De schuur wordt gedragen door een vrijstaande houtconstructie die bestaat uit een aantal portalen, gevormd door dekbalkgebinten. Elk gebint is opgebouwd uit twee stijlen met daar boven op een horizontale draagbalk. De constructie van de schuur deelt de schuur in de lengterichting op in drie beuken, twee zijbeuken en een middenbeuk. Het aantal gebintvakken bepaalt de lengte van de schuur. Kenmerkend voor de schuur is het gebruik van de middenbeuk als hooiopslag, ofwel de tasruimte. Het hooi wordt vanaf de grond opgestapeld. Door de hoogte van de middenbeuk kan hier erg veel hooi opgeslagen (opgetast) worden. In de ene zijbeuk bevindt zich de koestal. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Friese grupstal, die opmerkelijk verschilt van de rest van Nederland, waar tot rond de overgang van de negentiende eeuw naar de twintigste eeuw de potstal in gebruik was. Bij een potstal staat het vee in een uitgegraven stal, in zijn eigen mest. De mest wordt vermengd met stro en heideplaggen. Als de stal vol was, werd deze uitgemest en werd de mest op het land uitgereden.

Bij een Friese grupstal staat het vee, twee aan twee, tussen houten schotten met de kop naar de muur. Achter het vee loopt een mestgoot. Hieruit wordt de mest regelmatig verwijderd.

De andere zijbeuk wordt gebruikt als deel, ofwel werkruimte en bergruimte, in de schuur. Het achterste gebintvak is bij akkerbouwbedrijven in gebruik als dorsvloer (?), bij weidebedrijven als jongveestalling.

De stalruimte is afgeschermd van de tasruimte door een muur. Ook is de stal meestal voorzien van een zolder. Deze zolder zorgt eveneens voor het vasthouden van de warmte van de dieren.


De Friese grupstal

In een Friese stal staan de koeien op een verhoogd gedeelte twee aan twee met de koppen naar de buitenmuur. De boxen zijn gescheiden door schotten, die in Friesland de typische schoren of zeelpalen bezitten. Het stalraampje bevindt zich tussen de twee opstelplaatsen in. De grup (Fries voor mestgoot) loopt achter de dieren langs. De achterpoten staan op het stalhout.

De Friese grupstal.